Het project

Vennbahn

Er is nog maar weinig overgebleven dat herinnert aan de vroegere spoordienst van de Vennbahn tussen Aken en het noorden van het Groothertogdom Luxemburg. Enkele stations zijn opengebleven, bijvoorbeeld in Raeren, Walheim en Sourbrodt, maar verder zijn alleen nog achtergelaten wagons en bewegingsloze seininrichtingen stille getuigen van een glorierijk verleden. Aan sommige voormalige stations vind je nog tentoonstellingen en spoorrelicten die de geschiedenis en de verhalen van de Vennbahn vertellen. De tijden waarin de Vennbahn de slagader was tussen de kolengebieden rond Aken en de smelterijen in Lotharingen en Luxemburg, zijn lang vervlogen. De bewogen geschiedenis van de spoordienst begon in de tijd van de Pruisen, toen Keizer Willem I in 1882 de grondsteen legde en er begonnen werd met de aanleg. In 1889 ging de exploitatie van de Vennbahn van start, aanvankelijk op het traject tussen Aken-Rothe-Erde en Ulflingen (nu: Troisvierges). Tot in de jaren 1920 kende de Vennbahn een groot succes. Geleidelijk aan verloor ze echter aan betekenis doordat het traject niet geschikt was voor hogere snelheden en invoerrechten het goederenverkeer tussen Duitsland en België belemmerden. Toch bleven er goederentreinen rijden tot in de jaren 1980. Vanaf 1990 begon de spoorlijn aan haar toeristische carrière.

 

Ontwikkeling

Nadat er begin de jaren ‘80 een definitief einde kwam aan de commerciële exploitatie van de Vennbahn, kocht de Duitstalige Gemeenschap van België het tracé tussen Raeren en Bütgenbach op in 1990 met het oogmerk er toeristisch passagiersvervoer te ontwikkelen. Dit initiatief bleek echter al snel onrendabel, zodat men op zoek ging naar een andere gebruiksmogelijkheid. Deze vond men in Wallonië, waar fietsroutes op oude spoorbeddingen, bekend onder de naam RAVeL, steeds populairder werden, zodat uitbreiding naar het Duits-Belgische grensgebied wenselijk was. Bij de partnergemeenten aan Duitse zijde trapte men een open deur in met het voorstel een grensoverschrijdende fietsweg aan te leggen en ook de Luxemburgse overheid was snel overtuigd. Met het oog op financiering werd het project gelanceerd in de vorm van een Interreg-project en de Duitstalige Gemeenschap werd officieel belast met de coördinatie.

 

Het totale investeringsbedrag bedraagt 14.540.914,83 €.